Lief mens,
Hieronder het eerste deel van een tekst van Wim Jansen uit ‘Verbijstering en Verrukking’, uitgegeven door Volzin. Wim schreef dit boek in de laatste maanden van zijn leven en noemde het zijn ‘theologische testament’. Hij formuleert bidden als een oerkreet en stilte als het loslaten van jezelf. Dit boek moest er nog komen, aldus Wim.
*******
We zullen elke keer onszelf weer moeten afpellen tot de grondhouding van stilte en leegte: het NIETS.
Het is heilzaam voor iedereen, op elk terrein. Dat zou de functie kunnen zijn van stilte en gebed in de maatschappij. Bidden is niet de verbinding met het heilige zoeken vanuit de gevuldheid, maar juist vanuit de leegte op de bodem van het bestaan. Alleen dan ontstaat de openheid voor – het ongedachte niet-van-jezelf. Het vreemde dat jou uit jezelf vandaan roept. […]
Blijven schreeuwen in de leegte, dat is bidden.
Emanatie
Wie deze stilte betreedt zal ervaren dat die zich vult van gene zijde. Toegegeven, dit is een roekeloze belofte. Maar ik waag het erop met Meister Eckhart, de meester van leegte, aan mijn zijde. In mijn eigen woorden: Waar de mens uit zichzelf treedt kan God niet anders dan in die ontstane leegte stromen. Leegte moet gevuld. En dat is het gaatje waar God op wacht om erin te duiken. Zoals de zon niet anders kan dan schijnen en verlichten en verwarmen zodra de hemel leeg is van wolken.
Stromen… Het is voor mij genieten met volle teugen als Meister Eckhart regelmatig dat beeld inzet. Waarom genieten? Omdat hij daarmee, vanuit zijn westerse, middeleeuwse christelijke biotoop, regelrecht aansluit bij het oosten en bij de oude Grieken. Namelijk in het begrip emanatie. Definitie:
Uitstroming, uitvloeiing, uitstorting, uitstralen van iets uit een oorspronkelijke eenheid.
In het Hindoeïsme is het een essentieel begrip: alle dingen vloeien uit en keren terug in de bron van de energie van Brahma. Een voortdurend en cyclisch heen en weer terug stromen. Wij mensen zijn uitvloeiingen van de goddelijke eenheid, die zich in miljoenen gestalten manifesteert. Maar tegelijk blijven al die gestalten in Brahma. Nooit wordt de eenheid verbroken. Er kan dus geen sprake zijn van, zoals in de bijbelse scheppingsverhalen, dualiteit. De betekenis van scheppen is nu juist scheiden en in de schepping scheidt God zich af van het geschapene.
In de emanatie blijft de ‘uitvloeiing’ verbonden met de eenheid. Wel kunnen mensen zodanig uitstromen dat er afstand en vervreemding optreedt. Je kunt ook zeggen: hoe verder van de bron hoe meer individu en hoe dikkere ‘ik’. Maar via rituelen en gebed is er altijd een weg terug, een terugvloeien.
In de filosofie van de oude Grieken was het Plotinus (204-270) die emanatie tot de basis van zijn denken maakte: het Ene ontvouwt zijn een-voud. Maar tevens is er vanuit die ontvouwde veelheid een teruggang naar het Ene. Dat trekt namelijk alles weer aan, en alles verlangt en streeft ernaar en kan niet anders dan ernaar terugkeren. Zo houden emanatie en terugvloeiing elkaar in evenwicht. Ook de mens hunkert naar het Ene, door contemplatie zoekt hij zijn weg ernaar.
Plotinus: ’We moeten weer opstijgen naar het Goede, waarnaar elke ziel haakt. […] Want we moeten er naar verlangen als naar iets goeds en ons verlangen is daarop gericht en het valt ons ten deel als we daarheen opstijgen en ons daarheen omwenden en de kleren afleggen die we hadden aangetrokken, toen we afdaalden.’
In beide voorbeelden zien we hoe stilte en gebed wegen vormen om terug te keren in de bron Brahma, het Ene, het Goede, hoe je het ook noemt! Welke rol speelt leegte daarin? Die markeert het moment van terugkeer. De kentering.
Je zou verwachten dat dit een volstrekt ander scenario laat zien dan in de scheppingsgedachte van de monotheïstische godsdiensten. Maar zie nou toch eens wat Meister Eckhart schrijft. Vanuit zijn christelijke terminologie spreekt hij over de ‘Vader’, maar verder verbindt hij moeiteloos de twee denkwerelden van schepping en emanatie met elkaar, terwijl hij dat laatste begrip vermoedelijk niet eens gekend heeft: ‘Toen de Vader alle schepselen voortbracht, bracht hij mij voort en met alle schepselen stroomde ik uit en bleef toch binnen de Vader.’
Schepselen… uitstromen… binnen de Vader blijven. In deze prachtige zin blijken schepping en emanatie geen elkaar uitsluitende tegenstellingen te zijn, zoals het eeuwenlang is gebracht, maar metaforen die elkaar aanvullen. En ik voeg eraan toe: al die beelden – het terugvloeien, het opstijgen, het stromen en het blijven in de Vader – drukken uit wat er plaats vindt in stilte en gebed. In de uiterste uitvloeiing is de mens vol van ik. In de terugkeer ontledigt de mens van zichzelf en wordt weer een met het Ene. Dat is de weg van het gebed. Bidden is terugvloeien.
Wim Jansen